Kannie kieze

Drie weken hadden de dieren gebroed op het ei dat ze hadden gevonden. Nu sloeg de twijfel toe. ‘Misschien is het een windei,’ zei de kip. 'Dan wordt het nooit wat.' De albatros tikte met haar snavel tegen het ei. ‘Hé kleintje, kom je eruit?’ 


‘Ik weet nog niet wat ik worden wil,’ piepte het ei.
‘Ah,’ zei de struisvogel. ‘Word maar een struisvogel. Dan kun je heel hard rennen.’
‘Nee, een albatros!’ zei de albatros. ‘Dan kun je vliegen zo hoog en ver als je wilt en de hele wereld zien.’
‘Een zwaan,’ adviseerde de zwaan. ‘Heerlijk zwemmen in het water.’
‘Een spin,’ zei de spin die niet had willen broeden, ‘dan kun je een web weven, waar de ochtend parels in hangt, zo mooi!’

 

‘Kannie kieze,’ zei het ei.
‘Hé, een ei,’ zei de boerin. ‘Daar maak ik een omeletje van.’
‘Nee! Ik wil geen omeletje worden,’ riep het ei.
‘Wat dan?’ vroeg de boerin.
‘Ik wil alles,’ zei het ei. ‘Zwemmen en vliegen en racen en weven en… alles!’
‘Word dan maar een mens,’ zei de boerin. ‘Dan kun je al die dingen leren.’