De zeven werken van barmhartigheid

 

 

De hongerige voeden, de dorstige laven, de naakte kleden, de vreemdeling herbergen, de zieke verzorgen, de gevangene bezoeken, de dode begraven: in zeven kwatrijnen, met een coda.

 

 

Hij hing op straat rond. Ik had geen idee

wat hij daar deed. Beleefd vroeg ik hem mee

en bij het eten kwam hij langzaam los

en nam hij ook het woord. Dat hebben we geweten.

 

Vooral bij een paar glazen mooie wijn:

toen hij een aantal diepe dingen zei

vielen alle gesprekken op hun plaats

en zagen we de dwarsverbanden. Eindelijk.

 

Ik wilde iets terugdoen en ik had een jas

die ik niet nodig had en die hem iets te groot was,

maar ik heb aangedrongen en hij was zo vriendelijk

om net te doen alsof het ding hem paste.

 

En het werd laat. Ik zei, blijf hier logeren,

en neem de tijd met ons. We kijken morgen weer

met nieuwe ogen naar alle verhalen:

er valt nog zoveel van elkaar te leren

 

Hij had het zwaar. Wat stuk was, greep hem aan;

hij is er vrijwel zeker helemaal aan onderdoor gegaan,

geen ziekte is hem onbekend gebleven

maar wat wij voor hem konden doen, dat is gedaan.

 

Zijn hart was vast te groot, want de regering,

het geld, de macht en andere groeperingen

hebben hem opgepakt en ergens opgesloten

waar wij dan weer geschrokken op bezoek gingen.


 

 

En toen wij later weer iets van hem hoorden

toen bleek hij afgevoerd, gemarteld en vermoord;

wat konden wij nog doen? Wij zijn het lijk gaan halen

en hebben hem begraven. Daar zijn vrienden voor.

 

En later kwam er een bericht, via de tuinman, dacht ik:

Dat iemand zei, doe dit voor iedereen doe het voor mij.

 

Menno van der Beek