In memoriam Jan Klijnstra

(* 11 maart 1939 - Ü 24 april 2019)

 

Op de rouwkaart stond: ďToen God zag dat de weg te lang, de heuvel te steil, en het ademen te zwaar werd, legde Hij zijn arm om hem heen, en zei: ďKom maar thuisĒ.

 

Janís grote liefde, behalve Hanny, was zijn boot. Hij had er 6 jaren aan gewerkt, nog voordat hij Hanny leerde kennen. Zín technische kennis had hij gedeeltelijk van zín vader afgekeken, en op school had hij leren lassen. Voor de rest leek een schets voldoende om dit indrukwekkende werk te voltooien. Zín boot was zín alles, het was zín vrijheid, zín vrije tijd, zín vakantie, samen met Hanny en de kinderen.

 

De boot heette Nymphaea, dat betekent lelie, en ik zie een zekere overeenkomst tussen groei en bloei van de lelie, en hoe Janís leven er uit zag. De lelie bestaat voor het grootste deel onder water; wat je ziet, de brede bladen boven de wateroppervlakte, is maar een deel van het geheel. En de prachtige bloei is er maar gedurende een deel van het jaar. Ook Janís leven leek zich grotendeels in de diepte af te spelen: het was geen prater. Maar zo nu en dan gaf hij iets prijs van wat er in hem leefde.

 

Jan was een zorgzame, zachtaardige man, met veel humor, die veel voor anderen over had. Op zín werk, bij Rixona had hij een verantwoordelijke baan, en die verantwoordelijkheid droeg hij helemaal zelf; delegeren deed hij niet. Hij was bij wijze van spreken vaker in Warffum dan thuis in Baflo. Met directeur Witteveen kon hij lezen en schrijven. Maar toen deze opstapte ging het mis, en flink ook. Jan raakte overspannen, een ander nam zijn plaats in Ė hij voelde zich aan de kant gezet.

 

Op de bank zitten was niks voor Jan, hij ging er graag op uit, fotoís maken, werken op de werf, en praatjes maken met de mensen die hij tegenkwam, of het nou thuis was, of op vakantie met de boot.

 

De laatste acht jaar waren niet eenvoudig: langzaam maar zeker werd duidelijk dat Jan niet zomaar wat vergeetachtiger werd, maar dat hij de ziekte van Alzheimer had. Een sluipende ziekte is het, eerst merk je het nog niet zo, maar naarmate de tijd verder gaat, worden de symptomen steeds erger. Er werd niet over gepraat, en dat maakte het er allemaal niet makkelijker op.

 

Hij raakte het overzicht kwijt, werd onhandig Ė hij die altijd zo handig was geweest kon niet meer goed aanmeren, werd angstig in de sluis. De boot moest worden verkocht, en hij wilde naar huis Ė steeds maar weer naar huis. Terwijl hij thuis was, maar hij herkende het niet meer. Toen zín rijbewijs niet meer werd verlengd, werd hij ontzettend boos Ė het was zín vrijheid, zín leven, ook dat werd hem nu ontnomen. Opname in de Twaalfhoven werd noodzakelijk. Daar werd ook de zachtmoedige en lieve kant van Jan weer meer zichtbaar, alsof de zorgen waar hij zo lang onder had geleden, niet meer op hem drukten.

 

Op het laatst, vlak voor het einde, maakte de benauwdheid plaats voor een diepe rust, en ging hij in vrede heen.

 

Al die tijd heeft hij steun gehad aan het geloof. Het zingen van ďVeilig in Jezusí armenĒ gaf hem rust. Zo was God steeds bij hem, in de diepte van zijn bestaan gaf Hij hem kracht, zoals de lelie wordt gevoed vanuit de diepte van het water.

 

En nu?  We mogen geloven in wat de dichter schrijft:

 

Ga in het schip, zegt Gij,

steek van het strand,

vaar tegen wind en tij,

vaar naar de overkant,

wacht daar op Mij.

 

Ik ben het, zegt Gij dan.

Kom maar met Mij

mee naar de overkant.

Wees maar niet bang, zegt Gij,

hier is mijn hand.

 

Ds. Ignace Frťnay (Winsum)